Dat heeft vooral te maken met de politieke geschiedenis van abortus in Nederland. In de jaren zeventig en tachtig was er grote politieke verdeeldheid over het legaliseren van abortus. De uiteindelijke Wet afbreking zwangerschap was een politiek compromis: abortus werd in 1984 legaal toegankelijk onder bepaalde voorwaarden, maar bleef tegelijkertijd in het strafrecht staan.
Daardoor kreeg abortus een bijzondere juridische positie. Naast de algemene regels voor goede en veilige zorg gelden een aparte abortuswet én een strafrechtelijke bepaling. Artsen zijn uitgezonderd van die strafbepaling als zij abortuszorg geven volgens de Wet afbreking zwangerschap.
Dat compromis van ruim veertig jaar geleden is nog altijd terug te zien in de taal van de wet. Zo staat er dat een abortus alleen mag plaatsvinden als de ‘noodsituatie van de vrouw deze onontkoombaar maakt’. Ook moet een arts nagaan of iemand haar keuze zorgvuldig heeft gemaakt en zich bewust is van haar ‘verantwoordelijkheid voor ongeboren leven’.
Wij vinden dat iemand die een abortus wil zich niet hoeft te verantwoorden alsof die keuze alleen in een noodsituatie gerechtvaardigd is. Beslissingen over zwangerschap en kinderwens horen in de eerste plaats bij degene die zwanger is.
